Natuurbeheerders en boeren mogen elkaar best wat meer vertrouwen

Interview met veldecoloog Celine Roodhart

interview deskundige

Gepubliceerd op: 27 oktober 2026

Ik vind het belangrijk om natuurbeheerders en agrariërs bij elkaar te brengen. Soms fungeer ik als tolk tussen beiden. Dat vind ik mooi werk. Vaak proef ik oud zeer, maar ik zie ook kansen. Als natuurbeheerders de doelen voor een gebied goed overbrengen, kunnen boeren daarbinnen hun ondernemersvrijheid blijven behouden en daar ontstaan de mooiste samenwerkingen.

Ik ben opgegroeid op een melkveehouderij in het Eemland. Ik had ook altijd de wens om boerin te worden, maar om verschillende redenen hebben mijn ouders de koeien verkocht en werd mijn vader uiteindelijk natuurbeheerder. Toen dacht ik: dat is eigenlijk ook wel heel tof en ben ik bos- en natuurbeheer gaan studeren. Maar ik heb altijd affiniteit met de agrarische sector gehouden en nu werk ik op het snijvlak van landbouw en natuur.

Het oud zeer gaat vaak over grond: waardevol agrarisch grasland met hoge grondprijzen wordt zonder aandacht en maatwerk in het overgangsbeheer omgezet in natuur. Daardoor verliest de grond zijn gebruikswaarde, terwijl dat niet altijd nodig is. Want met passend agrarisch beheer zijn het gebruik van waardevolle graslanden en het behalen van natuurdoelen vaak goed te combineren.

Snap je de boosheid van de agrarische sector op de Ecologische Autoriteit?

Ik snap wel dat er in het algemeen boosheid onder agrariërs leeft. Er komt zoveel op die sector af dat alles wat hun bestaan kan bedreigen hen boos maakt. Aan de andere kant denk ik dat de adviezen van de Ecologische Autoriteit juist kansen en handvatten bieden om in deze transitietijden met elkaar verder te komen. Ik zie de landbouwtransitie niet los van de natuurbeheertransitie. Natuurbeheerders spelen een ontzettend belangrijke rol in die landbouwtransitie, al zien ze dat zelf niet altijd. Als je een bepaalde manier van onderhoud pleegt, geeft dat soortenrijkdom. Om het grasland te behouden, blijft agrarisch graslandgebruik nodig.

Hoe werkt dat dan?

Natuurbeheerders en boeren moeten (meer) samen het veld in. De natuurbeheerder kan met een bak aan kennis over specifieke soorten en hun leefgebiedseisen aanwijzen en toelichten waar ze wat tot ontwikkeling willen laten komen: orchideeën in de natte delen, structuur voor graslandvlinders langs de perceelsgrenzen en bloemrijke graslanden als basis voor meer insectenrijkdom. Daar kun je jaarlijkse afspraken over maken: welk deel kan je vroeg of juist later maaien? Waar kan je vee wel of niet weiden? Over het hoe van het beheer geef je deze boer of boerin dan vervolgens vrijheid. Daarom zijn ze gaan boeren, daar moet je als natuurbeheerder niet in gaan sturen. Er mag best wel wat meer vertrouwen zijn, want die boeren weten heus wel, soms zelfs beter dan de natuurbeheerder, hoe die percelen erbij liggen. Goede communicatie voorkomt hierbij veel ruis. Als je samen in het veld staat en ziet dat vee de zode helemaal kapot heeft gelopen, dan kijk je elkaar in de ogen en concludeer je samen: dat was misschien niet zo handig en dan maak je nieuwe afspraken. Zo voorkom je veel gedoe.

Als je vrij mocht dromen met je natuurbeheerderspet en je agrarische achtergrond, hoe zouden boeren en terreinbeheerders dan in bufferzones gaan samenwerken?

Ik ben voorstander van boeren binnen gezonde grenzen. Je hebt een agrarisch bedrijf waar bodem, water en lucht niet belast worden en waar biodiversiteit een logisch gevolg is van je bedrijfsvoering. Een grote variatie aan graslandvlinders, struweel, weide- en akkervogels, maar ook wilde bijen, zweefvliegen, kleine zoogdieren en een gezond onderwaterleven zijn dan een logische invulling van een bufferzone. Daarvan zeggen veel mensen dat het te mooi is om waar te zijn, maar er zijn al boeren in Nederland die laten zien dat het kan. Het zou fantastisch zijn als mineralenbenutting op boerenbedrijven de norm wordt in bufferzones, die terreinbeheerders en boeren in samenwerking beheren. Dan werk je aan herstel van natuur, waterkwaliteit en klimaatadaptatie in één aanpak.

Hoe ben je bij de Ecologische Autoriteit terechtgekomen?

Ik werk samen met Jan van der Winden in het Lowland Ecology Network en hij vroeg of ik interesse zou hebben om als deskundige voor de Ecologische Autoriteit te werken. Ze zochten naar iemand met graslandenkennis. Mijn eerste adviezen waren de Oeffelter Meent en Zeldersche Driessen, voor de provincies Noord-Brabant en Limburg. Ik vond het eervol om daar aan tafel te zitten en de provincies en de terreinbeheerders heel gepassioneerd te horen spreken over die Natura 2000-gebieden. De aftrap met een veldbezoek, daar ben ik heel erg gecharmeerd van. Want hoewel je heel veel informatie kunt ophalen uit documenten, kom je zo door het gebied lopend met een terreinbeheerder of het waterschap veel meer te weten.

Zie je doorwerking van de adviezen van de Ecologische Autoriteit?

Je ziet dat er na de adviezen voor bijvoorbeeld Uiterwaarden Lek en Zouweboezem niet alleen meer aan onderzoek en monitoring wordt gedaan, maar ook dat de terreinbeheerders een intensiever gesprek voeren met pachters en gebiedspartijen en dat er gesprekken met waterschappen over het waterpeil gevoerd worden. Die doorwerking van een advies is iets om trots op te zijn.

Ik weet ook dat agrarische collectieven met een schuin oog naar de adviezen van de Ecologische Autoriteit kijken tijdens het schrijven van een beheerplan of gebiedsaanbod, om haakjes te vinden waarmee ze de beheerders en de Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheerdoelen verder kunnen helpen. De Ecologische Autoriteit is niet meer alleen bekend onder ecologen, ook boeren kennen de organisatie inmiddels.

Heb je nog een tip voor een nieuwe deskundige?

Bereid je heel goed voor op het veldbezoek en zorg dat je zoveel mogelijk mensen spreekt in het veld, want wat je ophaalt van wat de mensen vertellen, is vaak veel gedetailleerder en beter geplaatst in de context van wat je ziet dan van wat mensen opschrijven. En zorg voor lange laarzen! En bedenk dat niets zo veranderlijk en dynamisch is als de natuur. Zoals botanicus Victor Westhoff in 1947 al zei: “We moeten een schaakspel met de natuur aangaan om haar in al haar dynamiek te evenaren…”